Het kantelpunt

Posted: May 6, 2014 in Lelystad, Overig
Tags: , , ,

Trillend stapte ik uit de auto. Het was eind augustus 2013, en het was warm. Een schitterende zomerdag, met stralende zon en temperaturen die de 30 graden aantikten, ook in Lelystad. Te shaken op mijn benen stond ik, in de zon, in het bos. Wat wankelend liep ik naar het rechterachterportier van mijn geleasde Peugeot 107 en maakte de deur open. De gordel van de kinderstoel waarin mijn zoon Duncan van 3,5 jaar oud zat, ging gemakkelijk los en dolenthousiast sprong hij uit de auto: “We gaan echt fietsen in het bos.” Hij had bereveel zin om in het bos te fietsen. “Een echt avontuur, net zoals Diego”, zo noemde hij het refererend aan de kinderserie op Tv van Diego de dierenredder.

En ik? Ik ging kapot van de stress. Minder goede jaren als ZZP’er, slechte korte en lange- termijn-keuzes, gebrek aan visie, en een gokprobleem van mijn vriendin hadden me op de rand van de financiële afgrond gebracht. En die ochtend lag er weer een belastingaanslag op de mat. 8.000 euro, en ook die kon ik niet betalen.

Duncan en ik begonnen aan de ronde door het bos. Hij fietste als een dolle weg, over de brug, naar de ingang van het bos. Hij genoot en ik streste. Ik moest stabiliteit hebben, maar wist niet hoe. Ik moest zekerheid creëren, maar dat lukte niet. Ik moest iets anders gaan doen, maar wat? Het kon niet zo zijn dat ik mentaal zo stuk zat, dat ik geen leuke dingen meer met onze zoon kon doen. Omdat ik verkeerde keuzes had gemaakt. Omdat ik niet tegen deze ondernemersonzekerheid kon. Een onzekerheid die ik niet had gehad als ik mijn bedrijf anders had gevoerd. Een stress die ik niet had gehad als ik andere keuzes had gemaakt.

Duncan en ik zaten op een bankje in het bos, boterhammen te eten. Hij smikkelde en smulde van boterhammen met chocopasta, en van zijn flesje limonade. Hij kletste de oren van mijn hoofd. En ik maakte me zorgen, kreeg geen hap door mijn keel. Ik voelde mijn knieën knikken, en de tranen brandden achter mijn ogen. Ik dacht: ”dit wil ik niet meer”. Ik wilde weg van de pijn die ik had. Weg van het verdriet. Weg van de brandende angst. Ik wilde niet meer schrikken als de deurbel ging, omdat ik bang was dat het weer een deurwaarder zou zijn. Ik wilde me geen zorgen meer maken over geld, over rekeningen die ik niet kon betalen, over belastingaanslagen die ik nog zou krijgen, of dat ik mijn huis nog zou kunnen redden van de executieverkoop. Die gedachten, die verlamden me.

Verder gingen Duncan en ik. Het bos was schitterend, de bomen groen, de vogels zongen, de zon scheen, en het was heerlijk warm. Duncan dronk af en toe wat uit de bidon die ik had meegenomen. “Als een echte wielrenner”, zo zei hij. Want de wielrenners dronken uit bidons, en als ik ging fietsen op de racefiets had ik die bidon ook bij me. Hij voelde zich hartstikke stoer. En hij straalde.

Ik somberde verder, terwijl ik af en toe iets aan Duncan vertelde. Over de bomen, over de planten, of over de dieren die in het bos woonden. Voor het eerst vertelde ik de verhalen door die mijn moeder mij geleerd had. “Daar wonen de egels”, wees ik op een hoop takken en bladeren. Duncan sprong van zijn fiets, en holde naar de berg takken, om de egels te zoeken. Hij genoot van dat moment.

Ondertussen vroeg ik me af, wat ik toch in Godsnaam moest doen. Hoe kon ik inkomen genereren? Waar lag en ligt mijn waarde? Welke dingen moest ik anders doen? Welke dingen moest ik überhaupt gaan doen? Welke dingen moest ik juist niet meer doen? En wat moest ik meer gaan doen? Trillend liep ik naar Duncan, om hem te helpen met egels zoeken. Maar ze waren er niet.

Er waren wel dennenappels. Heel veel dennenappels. Een paar voor mama gingen er in mijn tas. Toen een paar voor papa, en nog een paar voor Babs, ons konijn. “Gaan we nu weer fietsen, papa?” “Dat is goed jongen”, antwoordde ik. En Duncan speerde weg. “Hij fietst best hard voor een jongen van drie-en-een-half”, bedacht ik me terwijl ik achter hem aan moest joggen. Toen we bij een open plek in het bos kwamen, liepen er drie honden luid blaffend op Duncan af. Twee honden zagen er vriendelijk uit, maar de derde hond trok met zijn lip, en deed vals. Beschermend ging ik tussen Duncan en de honden in staan en nam een dreigende houding aan. “Als je mijn hond schopt, schop ik jou!”, schreeuwde een man. Ik keek naar links en zag hem staan. Een soort dierlijke woede kwam in me omhoog. “Als dat beest mijn kind pakt, maak ik hem af. En daarna pak ik jou!”, zo hoorde ik mezelf schreeuwen. “Opdonderen”, schreeuwde ik tegen de hond, terwijl ik een schoppende beweging maakte. De hond vloog weg, en ook de baas van de hond maakte dat hij wegkwam. “Papa pakt de hond en de meneer”, zei Duncan, terwijl de schrik van zijn gezichtje af te lezen was. Ik denk dat hij vooral was geschrokken was van mijn uitval. “Papa, doet alles om jou te beschermen, jongen”, zei ik. Ik weet niet waarom, maar ik kreeg een brok in mijn keel van die woorden. Het zinnetje bleef maar als een mantra door mijn hoofd spoken: “Papa doet alles voor je om je te beschermen”. Ik herhaalde het een paar keer, en dat zinnetje triggerde mijn emoties keer op keer. En maakte veel duidelijk. Ik moest wat anders gaan doen.

Ik was me net kapot geschrokken van mijn agressie. Ik vond het bijna jammer dat die baas van de hond me niet had geschopt. Ik had hem op dat moment met liefde gesloopt. Ik schrok. Dit was niet de Eduard die ik was, die ik hoorde te zijn en die ik wilde zijn. Ja, natuurlijk zou ik Duncan tegen alles beschermen. Maar niet met nutteloze agressie. Ik stond letterlijk op het punt van instorten, zo merkte ik. Ik bedacht dat ik eigenlijk sinds 2008 alleen maar waardeloze jaren had gehad, ondanks dat er ook prachtige momenten in voor kwamen. Ik had jaren achter de rug met redelijk ingrijpende gebeurtenissen, als een scheiding, volledig gaan freelancen, een plotselinge zwangerschap, een heel heftige bevalling, een gokverslaving, heftige relationele crisissen, een lange periode zonder opdrachten, beslagleggingen, en verschillende halve koerswijzigingen.

Sinds 2009 was ik fulltime freelancer. En sinds 2009 was ik alleen maar bezig geweest met het dichten van gaten, en het inlopen van achterstanden. Alleen maar financiële problemen oplossen. In 2009 werd mijn vriendin zwanger van Duncan, maar raakte ook haar baan kwijt. Ik betaalde me blauw, aan haar huis en achterstanden, aan mijn huis en achterstanden, en aan het huis van mij en mijn ex. Verder creditcardschulden en zakelijke leningen. Uiteindelijk gingen we samenwonen, de lasten daalden, maar er bleef geld verdwijnen. En ondertussen was Duncan geboren.

“Ga hier maar het bos in”, zei ik tegen Duncan, “Dan gaan we nog meer Dennenappels zoeken.” “Ja, echt waar?”, vroeg hij. En hij parkeerde zijn fietsje “Goed aan de kant papa, dan kan niemand botsen” en liep achter mij aan het bos in. “Het is een trampoline”, kraaide hij van plezier, toen hij stond te veren op het zachte mos. “Dat is het mos, dat is heel zacht”, zei ik, “Net als in het boek van Woezel en Pip”. Duncan bukte om met zijn handjes te voelen. Een lach van oor tot oor, genietend van deze ervaring.

Ik was nog steeds somber, al pompte de adrenaline door mijn lijf van mijn eerdere e boosheid. Maar die adrenaline wilde ik ook niet meer voelen. Ik wilde op een normale manier tijd met Duncan doorbrengen. Ik wilde zakelijk succes hebben, maar ik bedacht dat ik er zelf een pestbende van had gemaakt. Wat de omstandigheden ook waren geweest, het waren mijn beslissingen geweest die me in deze situatie hadden gebracht. Het was mijn reactie op gebeurtenissen geweest. Ik was het zelf geweest die dacht dat het wel goed zou komen, en daarom leningen afsloot die niet gedekt waren door een lange termijn visie, maar alleen op heel korte termijn pijn oplosten. Elke keer als ik dat deed, schreeuwde mijn intuïtie dat ik dat niet moest doen. Toch deed ik het, mijn gevoel volkomen negerend.

Want ik durfde niet toe te geven dat het eigenlijk niet heel goed ging. Ik was immers altijd positief. Ik zei altijd dat het wel goed zou komen. Maar mijn gevoel zei dat het nu niet goed zou komen. Niet als ik doorging zoals het ging. Maar ik was bang dat de wereld zou zeggen dat ik gefaald had.

“Kijk papa, gele bloemen”, zei Duncan terwijl hij van zijn fiets sprong en de bosjes langs het smalle fietspad indook. “Die ga ik plukken voor jou en mama”, riep hij. “Dat is mooi jongen. Zulke mooie gele bloemen”. “Jaaah!”, kraaide Duncan.

In 1997 zat ik blowend en zuipend op de bank van mijn flatje in Hengelo. Ook toen wist ik zeker dat ik de boel aan het verpesten was, maar ondernam geen actie. Ik ging door, ging snuiven, nam pillen, en rookte 1 keer heroïne. Totdat die man op het station in Hengelo vroeg of ik een kerstpakket voor arme kinderen wilde kopen. Dat deed ik, van mijn laatste geld. De pijn werd toen te groot. Die arme kinderen konden er niets aan doen, en ik verpestte mijn leven helemaal zelf. Ik stopte toen acuut met drugs, en ging doen waar ik blij van werd. En schreef me in voor de officiersopleiding van de Landmacht.

In het bos scheen de zon nog steeds. De zon stond in onze rug en Duncan croste op zijn mooie zwarte fietsje voor me uit. Het was zo’n mooi gezicht. De tranen liepen over mijn wangen. Hij reed langs het water, over het fietspad en stopte om paardenbloemen te plukken, om daarna alle pluisjes eraf te blazen. Met rode wangen van geluk.

Moest ik dan toch een vaste baan nemen? Of moest ik kijken of ik nog meer kon investeren in mijn bedrijf en daar plannen voor schrijven? Dat zat in mijn hoofd, maar dan had ik minstens anderhalve ton nodig. En dat risico was wel heel groot. Het moest in ieder geval anders. Ik moest een vast en stabiel inkomen genereren. En ik moest actie ondernemen in die richting. En actie ondernemen om hulp te zoeken. Mijn ego had lang genoeg in de weg gezeten. Schuldhulp, dat moest ik zoeken en vinden.

Ik droogde mijn tranen en liep naar Duncan. Ik hoopte dat hij niks had gezien. “Ben je verdrietig papa?”, vroeg hij. “Nee hoor”, jokte ik, “Papa had een paar pluisjes van de paardenbloem in zijn oog gekregen”. “Ooh, sorry papa”, zei Duncan met een beteuterd gezicht. Ik brak weer. De pijn was toen te groot. Dat was het moment waarop ik een besluit nam: Ik neem een vaste baan, waarbij ik minstens 4000 euro bruto verdien, en ik moet 1 oktober begonnen zijn. Ook ga ik nu schuldhulpverlening zoeken. Want het mag nooit gebeuren dat ik lieg tegen mijn zoon. Het mag nooit meer gebeuren dat ik mijn aandacht niet bij Duncan zou hebben, terwijl we een geweldige middag zouden moeten hebben. En het mocht ook niet meer gebeuren dat als mijn vriendin, Duncan en ik weggingen, ik me dan zorgen zat te maken, afwezig was, of nukkig zat te doen. Ik moest weer ongedwongen en vrij zijn, geen slaaf van mijn zorgen.

Duncan en ik gingen weer naar de auto. En ik herinnerde me de belofte die ik deed toen we in het ziekenhuis hoorde dat hij ‘maar’ een dubbele longontsteking had, en geen hersenvliesontsteking, en we wisten dat hij zou blijven leven. Ik beloofde hem dat ik hem elke dag zou laten lachen. En die belofte was ik niet nagekomen. Ik beloofde dat ik een leuke, sportieve vader zou zijn, en die belofte was ik de afgelopen tijd niet nagekomen. Zelfs op deze mooie schitterende middag in augustus was het me niet gelukt. Door de stress die het ondernemerschap me gaf. Het moest dus anders…

Advertisements
Comments
  1. dapper om dit op te schrijven. En goed dat je inzag dat er iets moest veranderen. Wanneer je straks die moeilijke jaren door bent zal er een stuk rust over je heen komen. Ik denk dat er nu al wel wat rust is gekomen. Sterkte en succes!

    Like

  2. en hoe gaat het nu met u? daadwerkelijk iets veranderd?

    Like

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s